
Onderdeel van het eerste jaar op het KIM was een bootjesreis, bedoeld om de nieuwbakken adelborsten vast te laten proeven aan de praktijk die hun later te wachten stond. Onze bootjesreis duurde 4 weken in oktober, begin november, en werd uitgevoerd met een verband van drie eenheden, de Hr. Ms. Panter, de Hr. Ms. Vos en de Hr.Ms. Van Speijk. De eerste twee waren roofdierfregatjes, die na de oorlog door de Amerikanen aan Nederland waren geschonken of verkocht, de laatste was een toendertijd redelijk modern onderzeebootbestrijdingsfregat (Van Speijk klasse), dat in Nederland was gebouwd. Tijdens de reis zouden we 3 havens aandoen, te weten Chatham, Lübeck en Karlskrona. De eerste 2 weken voer ik mee op de Panter, de laatste 2 weken op de Van Speijk.
Van de hele reis herinner ik me alleen nog bepaalde indrukken. Als jongestejaar Adelborst, nog zonder rang, werden we opgehokt in de slaapverblijven van de manschappen. Dat waren grote ruimtes, waar zo'n 60 man in konden slapen, met 3 bedden boven elkaar met zo'n 50 cm ruimte tussen de bedden. Uiteraard vóór in het schip, waar het het meest tekeerging als er wat zee stond. En in oktober staat er best af en toe een zeetje. Verschillende jaargenootjes waren dan ook zo ziek als een hond, en het braaksel wisten ze soms op te vangen, maar vaak ook niet. Uiteraard was het dan aan de niet-zieke jaargenootjes (waaronder ikzelf) om de rotzooi op te ruimen. Ook het schoonmaken van de toiletten, soms ook ondergekotst, werd uiteraard aan ons uitbesteed, want de vaste bemanning beschouwde dit als hun vakantiereis. Zo leerden we de activiteiten van het onderste deel van de bemanning redelijk goed kennen. In het bijzonder herinner ik me een keer dat ik zeuntje was (het hulpje van de kok in de kombuis) en op eigen initiatief de van de lunch overgebleven bami in de afvalbak gooide. Dat was helemaal tegen het zere been van de kok, die bedacht had dat die bami uitstekend als extra hapje bij de avondmaaltijd geserveerd kon worden. Kreeg dus opdracht om de bami uit de afvalbak te vissen, alle rotzooi er af te schrapen, en alles in een bak op te slaan voor 's avonds. Je zult begrijpen dat ik die avond (en heel lang daarna) geen bami heb gegeten!
Andere bijzondere momenten waren het uitgenodigd worden voor de maaltijd in de longroom (ons voorland). Onderging dat zelf met de nodige schroom, want voelde me in die tijd veel meer thuis bij de mannen dan bij de officieren. En natuurlijk hadden ze dingen als champignonsoep met hele lange slierten op het menu staan, wat ik niet zonder slurpen binnenkreeg. Ik schaamde me dood, en was blij toen ik weer naar de manschappen terug kon. Verder was er de functie "uitkijk boei". Op de roofdierfregatjes waren de uitgangen naar buiten niet bewaakt en kon iedereen naar binnen en buiten lopen zoals het uitkwam. Om te voorkomen dat er dan iemand overboord zou spoelen (of springen) zonder dat het opgemerkt werd, stond er een uitkijk boei achterop die de brug moest alarmeren als hij iemand voorbij zag drijven. Vooral in de periode dat we hoog in de Oostzee rondvoeren (nog noord van Stockholm) was dat rete koud, en konden zelfs de lange onderbroek, pyamabroek, werkpakbroek en daarover een syntexbroek niet voorkomen dat je het gevoel had te bevriezen.
Van de havens herinner ik me niet veel meer. Alleen dat het stappen met de mannen in Lübeck richting bruine kroegen ging, één van de mannen ternauwernood wist te ontkomen (door het wc-raampje) toen hij z'n rekening niet kon betalen, en de daar bijna standaard topless bediening, waarbij het er eerder onsmakelijk dan appetijtelijk uitzag (was geen liefhebber van melk in m'n biertje). In Karlskrona was een partij aan boord georganiseerd, maar hoewel er bijna continu muziek van ABBA werd gedraaid, hebben we (zoals we een beetje hoopten) de band zelf niet aan boord gehad.
Na afloop van de bootjesreis zijn er behoorlijk wat jaargenootjes mee gestopt. Sommigen omdat ze tot de ontdekking waren gekomen dat ze chronisch zeeziek waren, anderen omdat ze het leven aan boord absoluut niet zagen zitten. Waarschijnlijk is dat de reden geweest waarom de jaren na ons alleen nog bootjesreizen in het voorjaar organiseerden die richting Middellandse Zee gingen.